Terug

In 1739 verscheen verscheen bij de Amsterdamse uitgever Isaak Tirion (1705 - 1765) deel I van de serie

« Hedendaagsche historie of Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden ... »,

een topografisch verzamelwerk, voor een groot deel geschreven door de bekende historicus Jan Wagenaar (1709 - 1773).
Het laatste deel van deze 23 delige serie zag een kleine 70 jaar later, in 1804, het licht.

Reeds in 1729 was Isaac Tirion begonnen met het topografische standaardwerk « Hedendaagsche historie of Tegenwoordige staat van alle volkeren ... ».
De eerstgenoemde serie is op zeker moment het vervolg geworden van deze serie van 10 boeken, door de delen ervan de nummers 11 t/m 33 te geven. Dat dit tot verwarring heeft geleid moge duidelijk zijn.
Zo is bijvoorbeeld het boek « Hedendaagsche historie of Tegenwoordige staat van alle volkeren ... deel X, behelzende eene beschrijving van den tegenwoordigen staat der Oostenrijksche, Fransche en Pruissische Nederlanden » uit 1738 dus geen onderdeel van de eerstgenoemde serie, en duidelijk een ander boek dan « Hedendaagsche historie of Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, deel X, Zeeland.»
Aangezien het inbinden van het geheel werd overgelaten aan de koper van de boeken ontstonden exemplaren van de reeks die soms twee delen in één boek bevatten, en soms ook twee boeken, die samen één deel vormden. De NKS heeft - een voorbeeld - in haar bibliotheek de bij elkaar behorende delen 26a (alle volkeren) en 16b (Verenigde Nederlanden).

Indeling van de Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden:
  • [X] Zuidelijke Nederlanden, 1738
  • XI (= 1) Noordelijke Nederlanden, inleiding, 1739
  • XII (= 2) Generaliteitslanden, 1740
  • XIII (= 3) Gelderland, 1740
  • XIV-XVIII (= 4 t/m 8) Holland, 1742-1750
  • XIX-XX (= 9-10) Zeeland, 1751
  • XXI-XXII (= 11-12) Utrecht, 1758-1772
  • XXIII-XXVI (= 13-16) Friesland, 1785-1789
  • XXVII-XXX (= 17-20) Overijssel, 1781-1803
  • XXXI-XXXII (= 21-22) Stad en Lande, 1793-1794
  • XXXIII (= 23) Drenthe, 1792-1795.

    Elk deel van de serie was geïllustreerd met een tiental gravures van plattegronden en 'gezigten' van belangrijke steden. Kennelijk vond het koperspubliek het plaatmateriaal toch wel wat weinig, want Isaac Tirion publiceerde al in 1745 het eerste deel van de bijbehorende prentenboeken (Deel I t/m IX, Amsterdam, Tirion, 1745-1774):

    « Het verheerlykt Nederland, of Kabinet van Hedendaagsche gezigten van steden, dorpen, sloten, adelyke huizen [...] dienende tot opheldering der beschryvinge van den Tegenwoordigen Staat der Vereenigde Nederlanden.»

    Deze 9 prentenboekjes (elk ca. 50 pagina's) bevatten een schat aan topografisch materiaal van drie van de vier grootste topografen uit de 18e eeuw: Cornelis Pronk, Abraham de Haen, en Jan de Beijer.
    In ruim 750 prenten is inderdaad de «Tegenwoordige Staat» weergegeven van het «Verheerlykt Nederland». En nagenoeg alle tekeningen zijn gegraveerd - waarheidsgetrouw, in de stijl van de tekenaar! - door Hendrik Spilman.
    In totaal zijn in de negen delen zeven van de elf provincies in prent gebracht. De verschijning van de negen delen verliep traag omdat de reeks «Tegenwoordige staat ...» ook slecht opschoot. Toen Tirion in 1765 overleed, moesten er in beide reeksen nog delen verschijnen. Het feit dat uiteindelijke drie van de negen delen van het «Verheerlykt Nederland» aan Utrecht waren gewijd en dat de vier noordelijke provincies niet aan bod kwamen, was ook een gevolg van de dood van Tirion, waardoor het schema werd losgelaten.

    In 1792 verscheen een tweede uitgave van de prenten uit het «Verheerlykt Nederland», nu onder de titel «Nederlandsche Tafereelen», maar ook daarin ontbreken de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel.

    Een oorspronkelijk los van deze serie uitgegeven werk «Het Verheerlykt Kleefschland», met tekeningen van Jan de Bijer, gegraveerd door Paul van Liender, is bij genoemde tweede uitgave als «Aanhangsel of Tiende Deeltje » opgenomen. Dit prentenboek bevat 91 afbeeldingen uit het hertogdom Kleef, oostelijk van Arnhem, Nijmegen. Jan de Beijer is volgens velen verreweg de grootste topografische tekenaar uit de 18e eeuw. Zijn oeuvre - zoals beschreven in H. Romers onvolprezen 'J.de Beijer Oeuvre Catalogus' (Kruseman, Den Haag, 1969) - omvat zo'n 1500 tekeningen waarvan er een ruime 600 als gravure in druk zijn verschenen.

    Johan werd geboren op 24 september 1703 in Aarau (Zwitserland), waar zijn vader Johan Jacob de Beijer als Hollands officier belast was met het werven van huurlingen voor het leger van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. Toen hij zes jaar was verhuisden zijn ouders naar Emmerik, alwaar hij twee jaar later naar school ging.

    Eenmaal volwassen ging hij naar Amsterdam - volgens sommige bronnen reeds rond 1722 - om als leerling het tekenvak te leren bij Cornelis Pronk (Amsterdam, 1691-1759), die in die tijd gold als de belangrijkste topografisch tekenaar in de Nederlanden.

    Jan de Beijer was een uitermate productieve tekenaar, die 's zomers door het land trok om schetsen te maken van kastelen, kerken en dorpsgezichten, om die dan 's winters uit te werken tot kleurentekeningen en voorstudies voor het graveerwerk van anderen, zoals Hendrik Spilman. Deze tekeningen en gravures muntten uit door hun nauwkeurige weergave van de wereld van de 18e eeuw.

    In de periode 1740-1745 zou de Beijer gewoond hebben in Vierlingsbeek (en ook enige tijd in Emmerik) van waaruit hij rondreisde en tekeningen maakte in Limburg, Gelderland, Oostelijk Brabant en het gebied van de Nederrijn van Emmerik en Kleef tot Uerdingen.

    Vermoedelijk vestigde De Beijer zich rond 1750 in Amsterdam, waarna de nadruk van zijn werk op het gebied rond Amsterdam en Noord-Holland kwam te liggen. Tussen 1751 en 1769 heeft De Beijer in Amsterdam zo'n 160 tekeningen vervaardigd.

    Na zijn werkzame periode in Amsterdam vertrok Jan de Beijer naar het gebied tussen Arnhem en Kleef. In een aanvulling op zijn oeuvre-catalogus meldt H. Romers dat een broer (Johan Andreas de Beijer) in Doesburg heeft gewoond, zodat hij het niet onwaarschijnlijk acht dat Jan de Beijer zijn levensavond in Doesburg heeft doorgebracht.

    Volgens vele bronnen is hij overleden op 15 februari 1780 in Emmerik, waarbij H. Romers de kanttekening plaatst dat noch datum, noch plaats in archieven voorkomen.

    De tekeningen van Jan de Beijer raakten verspreid over talrijke musea, archieven en particuliere collecties in vele landen van Europa, de afdrukken van de naar zijn tekeningen gemaakte gravures zijn gelukkig nog in ruime mate bij antiquariaten beschikbaar.

    Documentatie:
  • Drs. H. Romers - J. de Beijer Oeuvre-Catalogus, Kruseman, Den Haag, 1969
  • Drs. H. Romers - Achttiende-eeuwse gezichten van steden, dorpen en huizen, Repro Holland, Alphen a/d Rijn
              deel I, Gelderland en Overijssel (1987)
              deel III, Stad Utrecht (1987)
              deel VI, Noord-Brabant en Limburg (1991)
              deel II, Provincie Utrecht (1994)
              deel V, Noord- en Zuid-Holland (1996)
              deel IV, Amsterdam (2000)
             [deel VII, België en Duitsland, tot nu toe niet verschenen].

    Hieronder een kleine 160 afbeeldingen van kastelen, paleizen en buitenplaatsen uit het oeuvre van Jan de Beijer.
    Gravures naar zijn tekeningen zijn van de hand van Hendrik Spilman, tenzij anders vermeld. Terug